Wijnand Geerdink: “BeNe Conference moet competitie worden waar je elk jaar naar uitkijkt”

20/02/2026

Vier jaar geleden — na zelfs drie eerdere pogingen die in vergaderzalen bleven hangen — was het nog een idee. Vandaag is de BeNe Conference een vaste afspraak op de volleybalkalender. De top van Nederland en België kruist opnieuw de degens in een competitie die meer wil zijn dan sportieve rivaliteit alleen: het is een project rond zichtbaarheid, professionalisering en groei. Eén van de architecten achter die evolutie is Wijnand Geerdink.

In Nederland geldt hij als de drijvende kracht achter het moderne clubvolleybal. Als voorzitter van de coöperatie Eredivisie Nederland en directeur bij Orion Stars duwde hij mee de grensoverschrijdende competitie door, ondanks twijfels, financiële risico’s en organisatorische weerstand. Voor Geerdink is de BeNe Conference geen experiment of tijdelijke kruisbestuiving, maar een noodzakelijke stap vooruit. In Nederland is hij een sleutelfiguur. In België kennen we hem nog nauwelijks. Tijd om daar verandering in te brengen.
Geerdink spreekt in elk geval met de rust van iemand die weet hoe fragiel sportprojecten kunnen zijn, maar tegelijk met het enthousiasme van een bouwer. Hij is geen bestuurder op afstand, maar iemand die in de praktijk staat, tussen clubs, sponsors en supporters. Zijn visie: volleybal moet zichtbaar worden, voelbaar worden, een evenement worden. Niet alleen in de zaal, maar ook daarbuiten. Wanneer we hem spreken, zit hij midden in de voorbereiding van de tweede editie van de BeNe Conference. De kinderziektes van de eerste jaargang zijn nog vers in het geheugen, maar het geloof is groter dan ooit. Vandaag, bij de start van de tweede editie, blikt Geerdink terug en vooral vooruit.

Wijnand, stel jezelf eerst even voor aan het Belgische publiek. Wie ben je in het volleybal?
Wijnand Geerdink: “Ik ben in de eerste plaats een clubman. Orion Stars uit Doetinchem is mijn thuisbasis, daar ben ik algemeen directeur en eigenaar. Daarnaast ben ik voorzitter van de coöperatie Eredivisieclubs in Nederland. Dat is een samenwerkingsverband van de clubs, vergelijkbaar met de Liga bij jullie. De competitieleiding ligt bij Nevobo, maar wij vertegenwoordigen de clubs. Vanuit die rol ben ik betrokken geraakt bij de BeNe Conference. Niet als politicus, maar als iemand die vond dat we moesten bewegen. Het Nederlandse clubvolleybal had nood aan zichtbaarheid, nieuwe impulsen en internationale prikkels. België zat met dezelfde vragen. Dan moet je elkaar vinden.”

Je stond mee aan de wieg van dit project. Was de BeNe Conference vanaf het begin duidelijk voor jou?
“De drie eerdere pogingen botsten steevast op twijfels, financiën of politiek. Vier jaar geleden hebben we gezegd: we trekken de oude plannen uit de kast en we beginnen opnieuw. Luc Haegemans en ik hebben letterlijk gezegd: we gaan dit doen. Of het nu perfect voorbereid is of niet. Dat klinkt misschien roekeloos, maar soms moet je gewoon de knoop doorhakken, anders blijf je praten.”

Wanneer voelde je: dit wordt iets structureels?
“Ik heb dat gevoel nooit in termen van ‘experiment’ bekeken. Voor mij was dit geen proefproject. We hebben gezegd: drie jaar bouwen. Niet testen. Bouwen. In die periode mag je fouten maken, bijsturen, groeien. Maar het uitgangspunt is: dit blijft bestaan tenzij het bewezen wordt dat het mislukt. Vorig seizoen bracht de eerste editie enthousiasme. Eerst en vooral in de reguliere competities, want zowel in België als Nederland moest er tot de laatste speeldag gestreden worden om een plekje in de top-4 te bemachtigen. Dit seizoen is dit trouwens opnieuw het geval. Daarnaast leren de verschillende clubs elkaar kennen. Supporters kregen nieuwe affiches en het volleybal kreeg verhalen. Dat is al winst.”

Sportief gezien: vorig seizoen kleurde de eindstand Belgisch. Is België nog altijd sterker? Je zat vorige week bijvoorbeeld in de Reo Arena als aandachtig toeschouwer tijdens Roeselare - Galatasaray in de Champions League.
“Dat denk ik wel, zeker als je naar Roeselare kijkt. Ik was daar op uitnodiging van Marie De Clerck. Kijk, zij staan een trapje hoger. Wij hebben bijvoorbeeld geen Basil Dermaux rondlopen, wat een talent. Maar ik denk dat we in Nederland wel sterker zijn geworden in de breedte, al zullen onze nummers 3 en 4 het nog altijd zeer moeilijk krijgen.”

Laten we de Nederlandse teams eens overlopen. We beginnen bij Orion Stars, het vlaggenschip. Jullie verloren onlangs pas voor de eerste keer dit seizoen met 3-2 op bezoek bij Lycurgus Groningen. Dat zegt veel.
“Wij hebben vier jaar geleden gezegd: we willen een referentieclub worden. En eerlijk, ons referentiepunt was Maaseik. Hoe organiseren zij topvolley? Wat kunnen wij kopiëren? We zijn misschien als een raket gegroeid in Nederland. Niet omdat we rijk zijn, zeker niet, maar omdat we structureel werken. Met spelers en ex-internationals als Wouter ter Maat en Gijs Jorna beschikken we over een pak ervaring. Liam McCluskey moet ik aan jullie niet meer voorstellen en ook Hiago Crins (ex-Aalst) en Tobias Kjaer (ex-Gent) hebben al meer getoond dat ze een meerwaarde zijn. Akkoord, we hebben geen supertalent zoals Dermaux. Een ploeg bouw je niet alleen met sterren, maar met stabiliteit.”

We lazen dat je Orion Stars als eerste Nederlandse club in meer dan 10 jaar nog eens naar de eindfase naar de Champions League wil loodsen. Is dat realistisch?
“Waarom niet? Maar dan zullen we ons budget moeten optrekken. We werken nu met ongeveer 750.000 euro voor de eerste ploeg, maar ons doel is om op korte termijn op 1 miljoen euro af te klokken.”

Dat zijn nog altijd grote verschillen met de top van België. In Roeselare werkten ze vorig jaar met een algeheel clubbudget van 2,5 miljoen euro. Maaseik ligt vermoedelijk tussen de 1,5 en 2 miljoen euro en Haasrode Leuven en Menen zitten tussen 1 en 1,5 miljoen.
“Op financieel vlak hebben we inderdaad nog een weg af te leggen. Maar op structureel en organisatorisch vlak zit het zeker goed. Dat is toch de feedback die ik kreeg uit de bestuurskringen van de Belgische topclubs. En kijk, het is niet onmogelijk om met een financieel beperkt budget toch te presteren in Europa. Roeselare won vorige week van Galatasaray, dat een budget heeft dat twee maal zo groot is als dat van de West-Vlamingen.”

Over financiële slagkracht gesproken: hoe vergaat het Lycurgus Groningen tegenwoordig? Vorig seizoen nog de grote uitschieter, met een budget van ongeveer 2 miljoen euro, maar toen hun hoofdsponsor Nova Tech over kop ging, konden ze op het einde van het seizoen zelfs geen spelerslonen meer uitbetalen.
“Het was een domper voor het Nederlandse volleybal, maar ze hebben nieuwe partners gevonden, een doorstart gemaakt en ze staan er opnieuw. Ook dankzij de steun van de gemeente Groningen. Hun budget is nu misschien nog maar een derde van wat het vorige seizoen was, ook al was dat dus niet sluitend, maar ze hebben wel meer gezonde ambities met een budget dat nu circuleert rond de 500.000 à 600.000 euro. Daar heb ik enorm veel respect voor. Het is echt een collectief met een goede block-defense, discipline en organisatie. Ze spelen misschien niet het mooiste volleybal, maar zijn wel slim. Ze hebben met Gijs Van Solkema ook een ervaren spelverdeler, ex-nationale ploeg, en ook hoofdaanvaller Martijn Brilhuis (2m04) is iemand om in de gaten te houden.”

Draisma Dynamo Apeldoorn, de derde na de reguliere competitie, lijkt in een overgangsfase te zitten?
“Klopt, want net zoals bij Achel zitten ze bij Dynamo met een vertrekkende trainer, Redbad Strikwerda (hij verkast naar Huizen). Dat geeft toch een bepaalde dynamiek. Het vuur lijkt misschien een beetje uit de ploeg, al beschikken ze met hoekspelers Jordi Van Laar en Youri Ebbelaar over twee talentvolle jongens. Budgettair gezien zitten ze trouwens net onder Lycurgus.”

En dan hebben we nog SSS Simplex uit Barneveld. Een debutant, maar ook voor het eerst in de clubgeschiedenis bekerfinalist. Wat zegt dat?
“Dat de breedte groeit. Ze hebben een fulltime trainer, gerichte buitenlandse versterking (de Fransman Pelvet en de Let Ramanis op de hoek), een ervaren setter (Stijn Held, broer van Markus Held, spelverdeler bij Antwerpen) en een goede hoofdaanvaller (Stijn De Ruijter). Ze zijn nog niet op het niveau van Orion of Roeselare, maar ze brengen energie. Dat is belangrijk.”

Sportief lijkt de kloof - met alle respect - dus nog niet gedicht en ook financieel is er nog werk aan de winkel. Is de BeNe Conference dan de hefboom om dat gat te dichten?
“Ja, zeker, maar ook op het vlak van cultuur. We merken nu al dat spelers makkelijker in Nederland blijven. Dat komt door de BeNe Conference. Het niveau is nog niet spectaculair gestegen, maar de aantrekkelijkheid wel. En dat is de eerste stap.”

Vorig seizoen was alles nieuw. Die frisse wind alleen al leek de noodzaak van een grensoverschrijdende competitie te bevestigen. Hoe kijk jij daar nu op terug?
“Over de eerste editie mogen we oprecht tevreden zijn. Alles was nieuw en dat zorgt automatisch voor enthousiasme. Die nieuwigheid maakte het spannend, ook voor ons. Voor de tweede editie is dat effect natuurlijk minder groot, maar het fundament is gelegd. Clubs en mensen uit de volleybalwereld hebben elkaar leren kennen en dat heeft iets in gang gezet.”

Wat is er nog nodig om verder door te groeien?
“Ik denk dat we dan moeten nadenken over een overkoepelend bestuursorgaan, zodat we ook op het vlak van uitstraling, commerciële samenwerkingen en marketing kunnen nadenken. Kijk, we hebben nog geen volle sportzalen of gigantische commerciële partnerships gerealiseerd, dus op dat vlak is er werk. Maar er is wel energie, ambitie en een gedeeld gevoel dat dit project potentieel heeft. Sportief was het voor Nederlandse clubs bovendien bijzonder interessant. Omgekeerd hebben Belgische clubs genoten van hoe wij in Nederland volleybal als een evenement benaderen. Entertainment, presentatie, beleving… we proberen er echt een feest van te maken. Die kruisbestuiving werkt in beide richtingen en dat is misschien wel de grootste winst van het eerste jaar. Ik denk niet dat we deze tweede editie plots tien verrassingen gaan zien. Maar de boodschap is simpel: kom kijken, want in volleybal weet je nooit. Dat maakt het zo mooi.”

Dilemma’s

Een droge 3-0-zege of 3-2 spektakel waar iedereen nog over napraat?
“3-2 spektakel. Als bestuurder zeg ik 3-0, maar als volleyballiefhebber wil ik dat mensen naar huis gaan en zeggen: daar was ik bij.”

Volleybal als tactisch schaakspel of pure fysieke power?
“Pure power. Tactiek is belangrijk, maar uiteindelijk komen mensen kijken voor ballen die op drie meter in de vloer verdwijnen.”

Een kolkende zaal die ontploft of klinische controle in een stille hal?
“Kolkende zaal. Zonder publiek bestaat topsport niet. Dan speel je gewoon een training.”

Een perfect uitgevoerd systeem of één geniale ingeving van een sterspeler?
“Het systeem wint titels, de geniale speler verkoopt tickets. Dus… allebei. Maar als ik moet kiezen: geef mij die ene gekke actie die de zaal doet ontploffen.”

Het coachbrein dat alles dicteert of spelersinstinct dat de wedstrijd beslist?
“Coachbrein tot aan 20-20. Daarna is het aan de spelers. Dan moet je karakter zien.”

Investeren in buitenlandse toppers of bouwen aan eigen talent op lange termijn?
“Eigen talent, altijd. Buitenlandse toppers zijn leuk, maar een competitie leeft pas echt als supporters hun eigen spelers herkennen.”

Een brede competitie vol verrassingen of een gesloten top met absolute kwaliteit?
“Brede spanning. Je wil dat elke wedstrijd gevaarlijk is. Onvoorspelbaarheid maakt een liga interessant.”


Tekst: KH
Foto: Wijnand Geerdink

Top