Stijn Dejonckheere: “Wij willen een voorbeeld zijn als springplankclub”

11/03/2026

Roeselare is weer overal. Op het terrein, in de Champions League, op de transfermarkt en in de gesprekken over de toekomst van het Belgische volleybal. Dat is geen toeval. Achter de sportieve hoogtepunten schuilt een club die niet alleen wil winnen, maar ook wil groeien, duwen en richting geven.

Terwijl Knack opnieuw in de achtste finales van de Champions League staat, een Europese etalage bood aan een ontplofte Basil Dermaux en tegelijk al bouwt aan de kern van volgend seizoen, wordt één ding duidelijk: Roeselare leeft op een tempo dat in België zelden wordt gehaald.

Midden in die dynamiek en aan de vooravond van de heenwedstrijd in de CL tegen de Poolse toppers van Rzeszów staat Stijn Dejonckheere. Nog niet zo lang geleden libero bij de West-Vlaamse trots, vandaag CEO en meer dan ooit de man die samen met Dirk Specenier de lijnen van het project bewaakt. Hij spreekt met de rust van iemand die de club van binnenuit kent, maar ook met de ambitie van een bestuurder die weet dat stilstaan achteruitgaan is.

Roeselare komt de laatste maanden opvallend vaak in het nieuws. Sportief, Europees, op transfergebied. Hoe beleef jij die periode?
Stijn Dejonckeheere: “Extreem intens. Honderd procent. Maar ook heel schoon, omdat je voelt dat er in de club iets leeft. Dirk Specenier en ik proberen achter de schermen richting te geven, maar uiteindelijk is het de hele organisatie die dit draagt: de spelersgroep, de staff, de vrijwilligers, de mensen rond de club. Er zit hier heel veel passie in en ook heel veel fierheid. Als je ziet dat we in de competitie nog maar één wedstrijd hebben verloren, dat we Europees een aantal straffe prestaties hebben neergezet en dat er tegelijk zoveel beweegt richting volgend seizoen, dan weet je dat je in een belangrijke periode zit. Dat is intens, ja, maar ook een luxe. Je werkt hiervoor.”

Jullie bereikten opnieuw de knock-outfase van de Champions League. Hoe uitzonderlijk is dat vandaag nog?
“Het voelt uitzonderlijker aan dan vroeger, terwijl het objectief niet zo lang geleden is dat we daar nog stonden. Zelf heb ik als speler ook nog twee of drie keer die volgende ronde gehaald. Alleen: de context is veranderd. Het volleybal is in Europa nog harder en nog internationaler geworden. Het wordt elk jaar moeilijker om daar door te breken. En toch staan wij daar opnieuw. Dat zegt veel. En vooral: het is de manier waarop. We hebben daar ruchtbaarheid aan gegeven. Die matchen tegen Galatasaray, Lublin, Ankara… dat waren geen anonieme Europese avonden. Dat waren wedstrijden die leefden. Mensen hadden het gevoel dat Roeselare opnieuw een ploeg was waar je rekening mee moet houden. En geloof me: ook in Europa voelt men dat. Er zijn clubs die denken: liever niet naar Roeselare. Dat alleen al zegt iets.”

Wat betekent dat voor een Belgische club?
“Dat is enorm belangrijk. Sportief, omdat je jezelf blijft ijken aan het hoogste niveau. Maar ook als clubtraditie. Je kan dat niet altijd in euro’s uitdrukken. De Champions League is voor ons op korte termijn geen winstmodel. Integendeel zelfs: als je alles samentelt, steek je er financieel meestal op toe. Maar op lange termijn is het onbetaalbaar. Voor jouw commerciële partners. Voor de uitstraling. Voor de spelers. Voor de beleving in Schiervelde. Wij zijn voetbal niet, hé. Wij hebben geen twintig Europese topavonden per seizoen. Als hier Ankara komt spelen en de zaal zit met extra stoelen tot boven de 2.200 mensen vol, dan zijn dat topdagen voor onze sport. Dan win je misschien als volleybal meer dan als club.”

Tegelijk was die heenwedstrijd tegen Rzeszów in de achtste finales kansloos: 3-0. Hoe kijk jij daar nu naar?
“Dat was een harde avond, omdat er eigenlijk niemand op de afspraak was. En dat gebeurt zelden bij ons. Kijk, het is nooit één element. Het is altijd een samenloop. Maar wat mij vooral opviel: ons gemiddelde niveau lag daar te laag. Als wij op de toppen van onze tenen spelen, dan zijn wij echt een heel goede ploeg. Dan kunnen wij Europese kleppers pijn doen. Alleen: ons verschil tussen topniveau en medium of low level is nog te groot. Bij echte topclubs is dat verschil veel kleiner. Bij Rzeszów zaten zij op hun high en wij op onze low. Dat is dodelijk op dat niveau. Dan verlies je kansloos en dan lijkt het alsof het verschil gigantisch is. Maar dat is ook een stuk perceptie. Als wij top spelen en er ergens twijfel in sluipt bij de tegenstander, dan zie ik wel degelijk openingen.”

Zelfs tegen Rzeszów?
“Waarom niet? Kijk naar wat we tegen Lublin gedaan hebben. Kijk naar hoe we Leon op bepaalde momenten uit zijn comfortzone haalden. Als je voelt dat er een barstje komt in hun vertrouwen, dan leeft zo’n wedstrijd. Dan heb je een opening nodig, een publiek dat ontploft, een aantal spelers die boven zichzelf uitstijgen. Dan kan er iets. In de return moeten wij in feite drie keer de match winnen. Dat is de realiteit. We moeten 3-0 of 3-1 winnen. Dat is gigantisch moeilijk. Maar als we ergens een krakje kunnen maken, dan wil ik zien wat dat doet.”

Is de Champions League voor Roeselare eerder een etalage of een echte sportieve ambitie?
“Allebei. Je moet realistisch zijn: structureel meedoen met de Europese top is moeilijk vanuit België. Maar dat wil niet zeggen dat je het niet moet ambiëren. Onze sportieve doelstellingen zijn vrij helder: twee finales spelen in België — beker en competitie — en een tweede Europese ronde halen. Daarnaast willen we niet alleen de Supercup, maar ook de BeNe Cup en de BeNe Conference op onze naam schrijven. Dat zijn onze objectieven. Dus nee, die knock-outfase is geen toeval of bonus. Daar werken we bewust naartoe. Tegelijk is het natuurlijk ook een etalage. Voor spelers, voor de club, voor het Belgisch volleybal in het algemeen. Basil Dermaux is daar het beste voorbeeld van.”

Laten we daar naartoe gaan, want de zaak-Dermaux is een verhaal op zich. Wanneer voelde de club dat hier iemand van uitzonderlijk niveau aan het ontploffen was?
“Wij kenden Basil al heel goed, want hij was hier jeugdspeler. Wij hebben hem na zijn blessure een vertrouwenscontract van drie jaar gegeven, omdat wij overtuigd waren van zijn high level-kwaliteiten. Alleen: het is veel sneller gegaan dan zelfs wij hadden verwacht. Niemand had durven dromen dat hij zich zo snel zo dominant zou tonen op dat podium. Maar je voelt ook: dat is niet alleen talent. Basil is een beest. Een werker. Power, ja, maar ook mentaliteit. Hij weet exact wat nodig is om de top te halen. Hij blijft nuchter. Hij komt desnoods alleen trainen als het moet. Dat is bewonderenswaardig. Zijn talent zit evenveel in zijn hoofd als in zijn arm.”

Zijn transfer naar Milaan is dus logisch?
“Ja. Wij hebben nog een contract met hem voor volgend seizoen, maar niemand is erbij gebaat om hem hier in een kooi te steken. Wij willen een voorbeeld zijn als springplankclub. Daar voelen we ons goed bij. Hendrik Tuerlinckx, Matthijs Verhanneman, Stijn D’Hulst, Mathijs Desmet, Seppe Rotty, Michiel Ahyi, Märt Tammearu en Sam Deroo… Wij hebben als club bewezen dat we spelers beter kunnen maken en klaarstomen voor de volgende stap. Voor jonge spelers met ambitie is dat een sterk verhaal. Bij Basil leeft intern geen enkele stem die zegt: die moet hier koste wat het kost blijven. Integendeel, wij zijn trots dat wij in die positie staan.”

Er wordt gesproken over een transfersom, wat in volleybal zo goed als onbestaande is. Is dit effectief een primeur voor Roeselare?
“Bij mijn weten wel, toch op deze manier. We hebben in het verleden nog situaties gehad die daar een beetje op leken, maar een echte afkoopsom zoals nu is uitzonderlijk. We worden daar niet schatrijk van, hé. Het is geen commercieel model. Maar het is wel een goede deal. Zeker omdat hij naar een goede club gaat, waar met Ferre Reggers en Seppe Rotty ook Belgische jongens goed zitten. Symbolisch is het wel belangrijk. Het toont dat Belgische clubs spelers niet alleen kunnen opleiden, maar ook economisch mee kunnen valoriseren. Dat is een stap vooruit voor onze sport.”

Maar sportief moet je hem natuurlijk vervangen. Hoe ver staan jullie daarin?
“Vrij ver. Eén van onze voorwaarden voor die deal was dat wij een alternatief moesten hebben. Dat zat mee vervat in het pakket. We hebben dus een profiel vastliggen. Alleen kunnen we daar nog niet alles over zeggen, omdat de Italiaanse competitie pas net afgerond is en ook Milaan zelf nog niet alles gecommuniceerd heeft. Officieus weten we veel, officieel moet je soms geduld hebben.”

Het wordt een Italiaanse hoofdaanvaller?
“Dat klopt.”

Over transfers gesproken: Gilles Vandecaveye is nog zo’n opvallende. Waarom hij?
“Gilles stond al langer op onze radar. Los van het feit dat Mathijs Desmet uiteindelijk stopte, waren die gesprekken al bezig. Wat hij bij Menen heeft laten zien, is indrukwekkend. Hij is echt opgestaan als kapiteinsfiguur. Hij kan prikken wanneer het moet, vooral vanaf de servicelijn, maar hij is ook gewoon één van de betere receptie-hoeken in België. Bovendien past hij qua persoonlijkheid perfect in Roeselare. West-Vlaams, nuchter, werker. Dat helpt.”

Ook de komst van Martijn Colson verraste velen. Waarom past hij in jullie project?
“Martijn is een interessante case. Wij kennen hem al heel lang, ook van de nationale ploeg. Hij heeft veel clubs gedaan, heeft ons ooit nog een beker afgepakt met Antwerpen en is fysiek uitzonderlijk binnen het Belgisch volleybal. Maar vooral: hij zit nu op een stabiele plek in zijn leven en wil echt volledig voor volleybal gaan. Dat is voor ons belangrijk. Martijn is zoekende geweest naar een professionele omkadering waarin hij het maximum uit zichzelf kan halen. Wij geloven dat we hem dat kunnen bieden. En ook daar geldt: een Belgische middenman met ervaring en fysiek vermogen, die moet je serieus nemen.”

Hoe zit het met andere dossiers? Pieter Coolman, Dennis Deroey, Erik Siksna, …
“Daar lopen gesprekken. Heel positief zelfs. Maar ik wil mensen ook de ruimte geven om dat op hun tempo te beslissen. Kijk naar Pieter Coolman: dat is ook al jaren een verhaal dat pas laat duidelijk wordt. Sommige gasten moeten eerst voor zichzelf beslissen wat ze nog willen. Daar moet je als club respect voor hebben.”

Dan toch nog even naar Mathijs Desmet. Dat leek in theorie de perfecte match: terug naar huis, terug naar Roeselare, nog altijd maar 26. Hoe hard kwam die beslissing aan dat hij stopt?
“In theorie was het inderdaad perfect. ‘Smetje’ is hier groot geworden. Hij is een familiemens, verlangde ernaar dichter bij zijn verloofde te zijn, en sportief leek het alsof we gewoon konden oppikken waar we geëindigd waren. Maar topsport is genadeloos. Zijn enkel bleef een issue. Ook vorige zomer is daar nog een ingreep aan gebeurd. En na veel gesprekken heeft hij voor zichzelf beslist dat hij dit niet meer kon doen aan het hoogste percentage dat nodig is.”

Hoe groot was de teleurstelling?
“Groot, want sportief was het een droomscenario. Maar tegelijk begrijp ik hem volledig. Zijn grootste schrik was eerlijk gezegd wat de supporters zouden zeggen. Hij zat daar echt mee. Nu het woord eruit is, zie je ook opluchting. Hij is een volkse speler, een man van de club. Dat blijft hij ook.”

Roeselare domineert al jaren het Belgische volleybal. Wat maakt deze club zo stabiel?
“Structuur, professionaliteit, cultuur. Je moet hier elke dag het gevoel hebben dat topsport normaal is. Dat details tellen. Dat je een finale speelt om ze te winnen. Dat zit in de club. Eén van onze kernwaarden is pionierschap. Wij willen in België en Vlaanderen een trekkende rol opnemen. Niet alleen voor onszelf, maar voor de sport. En kijk, Maaseik is terug. Menen en Haasrode Leuven groeien. De BeNe Conference brengt nieuwe prikkels. Dus ik denk niet dat het Belgisch volleybal doodgedomineerd wordt.”

Jullie staan ondertussen ook bekend als opleidingsclub.
“Wij willen structureel spelers ontwikkelen die de stap naar de Europese top kunnen zetten. Dat is niet alleen mooi, dat is ook een deel van ons model. Basil is daarvan een voorbeeld, maar hopelijk niet het laatste. Als jonge Belgische speler moet je weten: in Roeselare kan je groeien.”

Als je vijf jaar vooruitkijkt: waar moet Roeselare dan staan?
“De droom is opnieuw een Europese finale spelen, of dat nu in de Champions League is of in een andere Europese competitie. We hebben al Europese finales gespeeld, dus waarom niet opnieuw? Kijk naar wat Maaseik nu doet in de CEV Cup — dan mag je dromen. Maar tegelijk zijn we nuchtere West-Vlamingen. We weten dat zoiets alleen lukt als je elk jaar goed blijft werken. Ik wil dat Roeselare over vijf jaar nog altijd de beste springplankclub van België is, nog altijd pionier is, nog altijd mee aan de kar trekt.”

Wanneer ben jij tevreden na die return tegen Rzeszów?
“Er zijn voor mij eigenlijk twee scenario’s. Ofwel winnen we 3-0 of 3-1, en dan maakt het mij niet uit of dat met mooi of minder mooi spel was. Ofwel verliezen we, maar dan wil ik kunnen zeggen dat we alles op het parket hebben achtergelaten. Als wij sterven op onze top, in een kokend Schiervelde, dan ga ik niet op tafel springen, maar dan ga ik wel tevreden naar huis. Want dan hebben we gedaan wat we moesten doen.”

Tekst: KH
Foto: Bart Vandenbroucke

Top