Ferre Reggers: “Ik wil gewoon winnen. Altijd. Ik wil iedereen kapot maken…”
Woensdag krijgt het Belgische volleybal nog eens een Europese finale om naar uit te kijken. Niet met Roeselare of Maaseik, maar met Lindemans Aalst, dat voor het eerst in haar bestaan de eindstrijd van de CEV Challenge Cup speelt. Aan de overkant staat Allianz Milano, de Italiaanse subtopper met twee Belgen in de rangen. Met Seppe Rotty, die terug is na een lange revalidatie en misschien wel speelminuten krijgt in het achterveld, maar vooral ook met Ferre Reggers als speerpunt en grote publiekstrekker.
Leuk weetje: voor de opposite uit Pellenberg wordt het al het derde jaar op rij dat hij in Europa een Belgische ploeg kruist: Menen in 2023, Roeselare in 2025 en nu Aalst in 2026.
Het is vrijdagavond, ergens in Milaan. Buiten is het zacht, de lente nodigt uit. Binnen staat Ferre Reggers achter het fornuis. Pasta, zoals altijd. Zelfgemaakt, zoals altijd. Penne arrbiata, iets rijkelijker dan anders. Een kleine routine, een moment van controle in een seizoen dat allesbehalve voorspelbaar was. Een dag later wacht Verona, de bij elkaar gekochte machine uit het noorden, voor de vierde clash in de kwartfinales van de Italiaanse play-offs. En daarna: Aalst. Stof genoeg dus om te praten over zijn allereerste Europese finale, over een seizoen vol blessures in Milaan, over zijn eigen obsessie met winnen en over Lindemans, dat hij veel gevaarlijker acht dan sommigen in Italië misschien vermoeden.
Ferre, come stai?
Ferre Reggers: “Uitstekend, dankjewel. Fysiek voel ik me sterk, de wedstrijden tegen Verona zijn pittig en het ritme is hels. Maar om de drie dagen een wedstrijd, ik heb dat eigenlijk wel graag. Bovendien, het is nu elke dag 18 graden buiten. Het zonnetje schijnt, de belangrijkste weken van het seizoen komen eraan. Kortom, ik heb er zin in.”
Woensdag volgt jouw eerste Europese finale. Wat doet dat met jou?
“Ja, ongelooflijk toch. Dat was echt een doel. We hebben dat ook van in het begin van het seizoen zo uitgesproken: halve finale van de beker, halve finale van de play-offs en die Europese beker winnen. In theorie zijn er eigenlijk maar drie landen die zo’n beker elk jaar winnen: Italië, Polen en eventueel Turkije. Toen we zagen dat de Poolse en Turkse ploegen aan onze kant van het schema zaten, wisten we dat er echt iets mogelijk was, maar dat we uiteindelijk wel voorbij Norwid Częstochowa en Altekma Izmir moesten. Dan moet je dat ook durven benoemen.”
Jullie reguliere seizoen in Italië was met een zevende plaats wel wat onder de verwachtingen.
“Ja, absoluut. De bedoeling van Milaan is om in de top vier te eindigen, tussen ploegen als Lube, Modena en Piacenza. Alleen hebben wij bijna nooit met een volledige ploeg gespeeld. Seppe Rotty is nooit volledig fit geweest, Otsuka heeft miserie gehad, onze setter viel weg, Recine met zijn achillespees, noem maar op. Er is gewoon heel veel pech geweest. Geen overbelasting, hé, maar dingen die in wedstrijden of op training gebeuren. Daardoor is het een seizoen van veel ups en downs geweest.”
Voel je dat de ploeg nu toch progressie maakt op het juiste moment?
“Ja en nee. We hebben echt moeilijke weken gehad waarin we met acht man trainden en de rest uit de jeugd moest komen. Dan is het ook mentaal lastig om altijd alles te geven, omdat je voelt dat het collectief niet helemaal kan groeien. Maar nu zitten we in de belangrijke fase. In die grote matchen, tegen Poolse of Turkse ploegen, waren we er altijd wel. Misschien is het niet ons beste seizoen, maar als we die beker winnen, dan hebben we wel gedaan wat we moesten doen.”
Jij bent intussen uitgegroeid tot de absolute ster van Milaan. Hoe hou je jezelf fris in zo’n zwaar schema?
“Door heel goed naar mijn lichaam te luisteren. Ik heb, hout vasthouden, nog nooit een blessure gehad in mijn leven. Dat is een beetje geluk, maar ook omdat ik mijn lichaam heel goed ken. Ik voel goed wat ik nodig heb. We hadden nu twee vijfsetters na elkaar en dan ben ik ook naar de coach gestapt om te zeggen dat ik een dag rust nodig had. Dan ga ik naar het zwembad om te recupereren. Dat is niet omdat ik geen goesting heb om te trainen, maar omdat ik weet wat nodig is om top te zijn op het juiste moment. Onze coach, Roberto Piazza, begrijpt dat ook. Hij weet hoe ik werk. Soit, uiteindelijk heeft hij de meeste basisspelers een extra dagje rust gegund. Piazza is een topper, onze relatie is uitstekend.”
Milaan won deze beker in 2021. Leeft dat binnen de club?
“De club weet wel wat het is om die beker te winnen, al is dat ook de enige die in de trofeeënkast staat. Alleen: niemand van onze huidige ploeg was daarbij. Recine heeft al belangrijke matchen gespeeld en Caneschi natuurlijk ook, maar Recine is er dus niet bij. Cachopa (Fernando Kreling) stond er met Brazilië ook wel op internationaal niveau. Maar voor de rest zijn wij eigenlijk een jonge ploeg. Dat maakt het ergens ook mooi. We hebben niet veel spelers die al weten hoe het voelt om met Milaan een prijs te pakken.”
Intussen wacht eerst nog Verona in de play-offs, waar het 2-1 staat (uiteindelijk verliest Milaan de wedstrijd met 3-0 waardoor ze uit de play-offs liggen). Hoe moeilijk is het om dat te combineren met een Europese finale die eraan komt?
“Dat is topsport. Je zit nu met zondag, woensdag, zaterdag… dus je blijft in dat matchritme. Ik vind dat op zich wel aangenaam. We trainen weinig, eigenlijk alleen de dag voor de wedstrijd. Dat is het mooie van de play-offs: je leeft echt van wedstrijd naar wedstrijd. En eerlijk? Dat ligt mij wel. Ik slaap goed, eet goed, kan wat uitslapen, het is mooi weer hier. Dat helpt allemaal.”
Laten we naar Aalst gaan. Wat voor ploeg zie jij daarin?
“Ik heb ze al een paar keer bezig gezien. En ik ken enkele spelers nog wel van vroeger, zoals Simon Luka Vlahovic en ook Mathis Verwimp, waarmee ik nog samen in het 5de en 6de middelbaar op de Topsportschool gezeten heb. Ik vind Aalst in elk geval een echte flowploeg. Als ze in hun ritme zitten en het zit mee, dan kunnen ze heel gevaarlijk zijn. Ze staan niet voor niets in de finale. Ze hebben ook geen cadeau gehad onderweg met ploegen als PAOK en Bratislava, ook al stonden ze in mijn ogen wel aan de minst moeilijke kant. Maar goed, Belgische ploegen kennende: die gaan niet opgeven. Die gaan vrij spelen en voluit gaan.”
Het is een ploeg die aan het begin van het seizoen vooral is samengesteld met een grote focus op opslagdruk.
“Oké, dat belooft. Al zijn we natuurlijk wel wat gewoon, al zeker als je de voorbij wedstrijden tegen die kanonnen van Verona hebt gestaan.”
Waar liggen volgens jou de sleutels voor Milaan?
“Voor ons is het belangrijk dat wij van in het begin hard pushen. Als wij de match bepalen en hen onder druk zetten, dan gaan ze niet veel kunnen doen. Maar als zij in hun flow komen, wordt het moeilijker. Wij moeten daar met volle focus naartoe. Geen 95 procent, maar 100.”
Je hebt al gehoord wat Aalst over jullie zegt?
“Ik heb een interview van Frank Depestele gehoord. En daarin zei hij ook dat als onze opslag draait, wij heel veel druk kunnen zetten. Dat klopt ook. Maar tegelijk weten zij ook waar ze ons kunnen raken. Wij spelen veel met vier in receptie en onze vierde receptiehoek kan een target worden. Met zware floats of jump floats kunnen ze daar wel iets proberen. Maar dat weten wij natuurlijk ook, dus we zijn daarop voorbereid.”
Verwacht je twee heel verschillende matchen, in België en dan in Italië?
“Niet per se. Ik denk vooral dat het belangrijk is om die eerste match goed te spelen. Als je daar met 1-3 of 0-3 kan winnen, dan zet je jezelf natuurlijk in een heel goeie positie. Maar het blijft een finale. Er kan van alles gebeuren. Daarom moeten wij ons eigen spel blijven spelen.”
Hoe zou je dat spel van Milaan zelf omschrijven?
“Geduldig. Dat is een groot verschil met bijvoorbeeld Verona, waar het vaak gewoon bommen is: zo hard mogelijk serveren, zo hard mogelijk slaan. Wij zijn niet de meest fysieke of impressionante ploeg, maar in het organisatorische deel zijn we sterk. Als ons plan duidelijk is en iedereen voert dat uit, dan hebben we veel kans om te winnen. Wij moeten risico nemen, maar het moeten berekende risico’s zijn.”
Dus niet denken: wij zijn de betere ploeg en we slaan wel elke eerste bal op de grond?
“Voilà. Dat mogen we zeker niet doen. Wij hebben ook niet de mogelijkheden om een ploeg zomaar te overklassen. Dus we moeten ons ding blijven doen, geduldig zijn, blijven bouwen. Zo spelen wij het best.”
Voelt Aalst dan anders aan dan een Italiaanse tegenstander?
“Niet meteen op het vlak van wedstrijdvoorbereiding. Voor mij persoonlijk is het natuurlijk wel speciaal. Mijn papa legt opnieuw een bus in, ik heb zeventien tickets opzij moeten houden, er komen vrienden van vroeger mee, van bij de Lizards zelfs. Dat is heel leuk. Alleen jammer dat we de ochtend nadien meteen terugvliegen en ik dus niet eens thuis kan slapen.”
Derde jaar op rij tegen een Belgische ploeg in Europa. Voelt dat nog bijzonder?
“Ja, eigenlijk wel. Menen in 2023, Roeselare in 2025 en nu Aalst. Ik heb zo precies al elke Belgische ploeg eens gehad in Europa. Alleen Maaseik nog niet. Het blijft toch iets speciaals, omdat je die gasten kent, omdat je weet hoe er in België naar zo’n match gekeken wordt.”
Hoe zit het met Seppe Rotty?
“Hij traint nu iets meer dan een maand volledig mee. Je ziet echt evolutie. Hij slaat nu dubbel zo hard als tien dagen geleden. Ik ben daar heel blij om, want zijn energie is iets dat die ploeg nodig heeft. Ik weet niet of hij in Aalst al van voor zal kunnen staan, maar ik denk wel dat hij sowieso zal inkomen voor receptie. De coach gunt hem dat ook, zeker omdat hij zes maanden lang bijna elke dag dubbele sessies bij de kiné heeft gedaan.”
Over Belgen gesproken: Basil Dermaux komt naar Milaan, jouw ideale vervanger, want jij trekt naar Perugia. Wat kan je daarover zeggen?
“Niet veel. Zolang het seizoen loopt, mag ik daar eigenlijk niet dieper op ingaan. Dat is zo’n beetje een ongeschreven regel. Maar kijk: Basil gaat dat goed doen. Hij heeft alles mee. Hij is power, hij heeft karakter. En als hij de volleybalinzichten meekrijgt die je in Italië krijgt, dan kan dat voor hem echt een heel grote stap zijn. In België leer je vaak: hoog en hard slaan. In Italië leer je echt het spel. Ik ben Piazza, onze coach, daar enorm dankbaar voor.”
Jouw naam bij Perugia… Het blijft intussen overal opduiken. Hoe ga je daarmee om?
“Door er eigenlijk niet mee bezig te zijn. Voor de supporters ligt dat anders, want zij willen mij natuurlijk niet naar de concurrentie zien gaan. Voor hen ben ik de keizer, hun held en ze komen mij ook vertellen dat ik dat in Perugia nooit zal worden. Maar kijk, zolang het seizoen loopt, kijk ik daar niet naar. Ik wil winnen. Dat is het enige. Niet zozeer per se die Challenge Cup, maar winnen in het algemeen. Ooit moet die Champions League op mijn naam staan. Ik hunker daarnaar. Maar al is het de minst belangrijke match ooit: ik wil winnen. Ik wil de eerste verslaan, maar ook de laatste. Om het cru te zeggen: ik wil iedereen kapot maken. Dat gevoel heb ik nog altijd.”
Ga je je nu anders voorbereiden omdat het jouw eerste finale is?
“Nee, ik wil gewoon mijn niveau halen en winnen. Ik doe elke match hetzelfde. Middagdutje, douchen, eten. Ik eet bijna elke dag hetzelfde, vijf keer per week ’s middags witte pasta met olijfolie, kaas en kip. Dat is prestatiegericht, ik voel me daar goed bij. De avond voor een match eet ik wat rijker, iets meer saus, wat meer kaas. Ik wil gewoon dat mijn lichaam krijgt wat het nodig heeft. En dan: presteren.”
Tot slot: wat mogen de fans verwachten van deze finale?
“Twee ploegen die er volledig voor gaan. Aalst gaat niet opgeven, dat weet ik zeker. En wij willen die beker echt winnen. Het wordt geen finale waarin iemand zomaar over de ander walst. Het zal over details gaan. En over wie zijn moment pakt.”
En jij?
(lacht) “Ik wil alle ballen, die ik krijg, afmaken.”
Tekst: Kenny Hennens
Foto: Powervolley Milano