“Zonder die gastgezinnen was er nooit sprake van de Red Dragons of Yellow Tigers”

05/09/2026

Wanneer de Red Dragons op een WK de pannen van het dak spelen of de Yellow Tigers op het EK Nederland in de pan hakken, kijkt de gemiddelde volleybalfan naar het glimmende eindproduct. De harde smashes van Ferre Reggers, het leiderschap van Sam Deroo of de explosiviteit van Britt Herbots lijken vanzelfsprekend. De cijfers liegen er dan ook niet om: ruim 74 procent van de huidige Yellow Tigers en 64 procent van de Red Dragons genoten hun opleiding aan de Topsportschool in Vilvoorde. Bij de nationale jeugdselecties stijgt dat aandeel zelfs tot een duizelingwekkende 80 procent. Vilvoorde is de onbetwiste kraamkamer, de levensader en het kloppend hart van het Belgische topsportvolleybal. Al ruim dertig jaar.

Maar wie vandaag het Eurovolleycenter binnenstapt, kan zich nauwelijks voorstellen op welke amateuristische, schier onmogelijke puinhopen dit succesverhaal dertig jaar geleden werd gebouwd. In 1994 was er namelijk niets. Geen budget van de federatie, geen officieel internaat, geen topsportstatuut en al zeker geen maatschappelijke erkenning. Het idee om veertienjarige pubers weg te plukken onder de ouderlijke vleugels werd door de volleybalbond weggelachen als een romantisch illusietje. Dat de Topsportschool er überhaupt kwam, is het resultaat van pure koppigheid, pioniersgeest en de onuitputtelijke passie van één man en zijn netwerk: Swa Depelchin.

Swa - ondertussen 82 lentes jong, pienter als een tiener en een wandelende encyclopedie van de Belgische volleybalgeschiedenis - stond aan de wieg van wat vandaag een geoliede topsportmachine is. Hij was de man die Vilvoordse gastgezinnen ronselde via de lokale krant, die pubermeisjes met de auto naar de sporthal voerde waarbij het vijfde meisje steevast op de schoot van de andere drie moest liggen, en wiens dochter op vrijwillige basis het vreselijke heimwee van de allereerste lichting opving. Zonder Swa Depelchin, zonder de pioniersrol van mensen als Koen Hoeyberghs en Julien Vleminckx, en zonder de legendarische cash-enveloppes voor de trainers, had het Belgische volleybal er vandaag radicaal anders uitgezien.

Swa, we moeten dertig jaar terug in de tijd. Het project van de volleybalschool had in 1994 oorspronkelijk in Leuven of Dilbeek moeten starten. Hoe dicht stond het hele idee bij een stille dood voordat Vilvoorde in beeld kwam?
Swa Depelchin: “Het hing echt aan een zijden draadje. Julien Vleminckx, toenmalig sportief directeur van de bond, en Koen Hoeyberghs wilden er ontzettend graag mee beginnen. Koen had in Zwitserland gezien dat een centrale topsportschool voor meisjes wél werkte. Maar het probleem was: we hadden een internaat nodig. We zijn naar scholen in Leuven en Dilbeek getrokken, maar die schudden allemaal van nee. Dat was totaal nieuw, hè. Volleybal? Aangepaste uren? Welke maaltijden? De directies wisten niet wat ze ermee aan moesten en ketsten het af. De federatie zag er op dat moment ook absoluut het nut niet van in en weigerde budget vrij te maken. Julien stond op het punt om de handdoek in de ring te gooien. Maar ik was destijds jeugdverantwoordelijke van het volleybal in Vlaams-Brabant, bracht het tijdschrift VolleyBrabant uit en kende het onderwijsveld in Vilvoorde door mijn werk op het Onze-Lieve-Vrouwecollege. Ik zei: ‘In Vilvoorde hebben we een fantastische school, alleen… we hebben géén internaat.’ Als we gastgezinnen konden vinden, konden we starten. En ook de toenmalige directeur van de het College ging mee in het verhaal.”

Hoe kreeg je in 's hemelsnaam Vilvoordse gezinnen zover om zomaar vreemde topsportkinderen van veertien jaar in huis te nemen voor een sport die toen amper op de kaart stond?
(lacht) “Met heel veel inventiviteit en een stevige portie branie! Mails of gsm’s bestonden nog niet. We hebben brieven meegegeven aan studenten, maar daar reageerde werkelijk niemand op. Toen ben ik naar 'uw annoncenblad' gestapt, het meest gelezen reclameblad in de streek. Een bevriende journalist, meneer Corbanie — wiens zoon vorig seizoen trouwens nog bij Antwerp speelde — heeft zich er mee achter gezet en een grote oproep geschreven met mijn telefoonnummer van het college erbij. De instroom van speelsters was ook uiterst nipt. Julien Vleminckx had gezegd: ‘We starten alleen als we zes speelsters hebben. Bij vijf doeken we het op.’ We zijn met hakken over de sloot aan exact zes meisjes geraakt. Tijdens de interprovinciale toernooien ontdekten we Frauke Dierickx, en uit West-Vlaanderen kwamen de zusjes Kim en Chaïne Staelens. En zo zijn we in september 1995 begonnen met zes meisjes bij gastgezinnen. Ook toenmalig Radio 2-journalist Kris Baert en Radio 1-journalist Peter Van den Bempt bezorgden mij een interview op de respectievelijke zenders. En met bovenop nog Ring-TV, de plaatselijk TV-zender, kwamen de inwoners van Vilvoorde wat meer op de hoogte van dit ‘uitzonderlijke project. Eén jaar later waren het nog steeds enkel meisjes, pas in 1997 zijn de jongens erbij gekomen.”

Hoe beleefden die ouders dat destijds? Je geeft als ouder niet zomaar je veertienjarige dochter mee aan een wildvreemd gezin in Vilvoorde…
“Dat was gigantisch moeilijk. Internaten kenden de mensen, maar een gastgezin? Dat was emotioneel een heel zware stap. Ouders gaven hun kind af voor het volleybal, maar verwachtten van mij garanties dat het op persoonlijk en opvoedkundig vlak 100 procent juist zat. Om dat op te vangen, heb ik mijn middelste dochter Kirsten ingeschakeld. Zij had net drie jaar psychologie achter de rug in Antwerpen en had les gekregen van sportpsycholoog Bert De Cuyper. Kirsten heeft op vrijwillige basis die eerste lichting meisjes vijf jaar lang intensief begeleid. Zij ving het heimwee op, hielp bij puberteitsproblemen en was de vertrouwenspersoon aan de keukentafel. Frauke Dierickx ziet Kirsten nu nog altijd regelmatig. Frauke heeft me dikwijls gezegd: ‘Swa, als Kirsten er toen niet was geweest om mij op te vangen tijdens de moeilijke momenten, was ik gestopt en naar huis gegegaan.’ En bedenk eens wat dat voor het Belgische vrouwenvolleybal had betekend. Frauke werd later de beste spelverdeelster die ons land ooit gekend heeft. Ook de zussen Staelens hebben de Europese top bereikt.”

Er hangt een enorme charme rond die pioniersjaren. Je vervoerde die meisjes ook zelf naar de trainingen?
“Onvoorstelbare tijden! Op woensdagnamiddag gaf Koen Hoeyberghs training in het Eurovolleycenter. Maar de meisjes zaten op school in het centrum van Vilvoorde, zo’n vijf kilometer verderop. Openbaar vervoer was er nauwelijks op dat uur. Dus laadde ik die zes meisjes elke woensdag in mijn eigen wagen. Eén meisje stapte halfweg uit bij haar gastgezin, maar dat betekende wel dat het vijfde meisje onderweg altijd over dwars op de schoot van de andere drie achterin moest liggen! Dat was elke week schaterlachen in de auto. Of neem nu Kim Staelens. De trainers vonden haar in het begin soms ‘veel te speels’. Maar Kim had een heel vreemde groeispurt: het ene been groeide een centimeter, en pas maanden later volgde het andere. Ze moest een speciale spalk of bot aan om te kunnen trainen. Dan stond ze daar te trainen met één half gekleurd been en een enorme wilskracht. Binnen het gastgezin floreerde de ene speelster al wat sneller dan de andere, maar de dynamiek was prachtig.”

Het verhaal gaat dat de federatie in de beginjaren geen cent overhad voor de volleybalschool. Klopt het dat de trainers letterlijk met cash geld uit ‘Sinterklaas-enveloppes’ moesten worden betaald?
“Dat is geen mythe, dat is de naakte waarheid. De beheerraad van het toenmalige KBVBV wilde er niets van weten. Ze gaven geen geld, want ze geloofden er niet in. Maar de trainers die Koen Hoeyberghs aanwierf, moesten natuurlijk wel een vergoeding krijgen, hoe klein ook. Het toenmalige Volley Vlaanderen betaalde de trainers wel, maar compleet onvoldoende voor het pionierswerk dat de trainers presteerden. De ouders legden via een privé-initiatief zelf geld samen. Dat geld kwam bij mij en zo konden wij hen ook nog een extra enveloppe geven met Sinterklaas, Kerst en Nieuwjaar. Bovenop kreeg ik een geweldige morele steun van Bert Dierickx, de papa van Frauke. Bert was met pensioen en zei: ‘Swa, wat jullie doen is super, laat je niet kisten.’
De omwenteling bij de bond is pas gekomen in ons derde werkjaar. In 1998 vond het EK U18 plaats. In de Belgische selectie van tien speelsters zaten zeven meisjes uit onze ‘volleybalschool’ — want het heette toen officieel nog geen topsportschool. België werd vierde op dat EK, het beste resultaat ooit tot dan toe. Plots krabden de heren van de bond zich achter de oren. Marc Spaenjers, die Julien Vleminckx verving, kwam naar me toe en zei: ‘Swa, we moeten dit dringend doortrekken en ook met de jongens beginnen!’”

Hoe is de volleybalschool dan uiteindelijk getransformeerd tot het officiële topsportinstituut dat het in 1998 werd?
“Dat hebben we te danken aan de Vlaamse overheid en toenmalig minister van Onderwijs Luc Van den Bossche. Ivo Van Aken, de grote man uit het tennis, was op het kabinet gaan aankloppen. Sabine Appelmans was net doorgebroken, maar had door haar tennis geen secundair diploma. Van Aken pleitte voor een wettelijk kader om topsport en studie te combineren. Ivo belde Julien Vleminckx, en zo zaten wij plots met het BOIC, het BLOSO, de onderwijsvleugels en het kabinet rond de tafel. In 1998 werd het topsportstatuut officieel geofficialiseerd. Maar over de locatie werd keihard geknokt! De kans dat het volleybal naar Leuven verhuisde was groot en Jean-Marie Dedecker kreeg Vilvoorde toegewezen voor zijn Judoschool. Na heel wat getrek en gesleur werd uiteindelijk de voorkeur van Jean-Marie gerespecteerd en kwam zijn topsportschool in West-Vlaanderen terecht. En met nog een laatste bezoek aan het ministeriële kabinet konden we topsportschool voor volleybal uiteindelijk definitief in het Volleybalcentrum van Vilvoorde behouden.”

Met de komst van de jongens in 1998 barstte het gastgezinnensysteem uit zijn voegen. Jullie moesten uitwijken naar een internaat in Laken. Dat leverde een legendarische anekdote op…
(schatert het uit) “Awel, ja! Ik had 15 gastgezinnen, maar voor die bende jongens was dat niet meer vol te houden. Ik vond een internaat in het Koninklijk Atheneum van Laken. Stel je voor: wij kwamen van een katholiek college en belandden in een rijksonderwijs-atheneum. Ik werd aangesteld in het bestuur van dat internaat. Op een avond zat ik in een vergadering in het Eurovolleycenter toen mijn telefoon ging. De beheerder van het internaat in Laken, helemaal in paniek: ‘Swa, kom nú naar hier, die mannen van het volleybal zetten heel de boel op stelten!’ Marc Spaenjers en ik meteen in de auto naar Laken. Toen we daar kwamen, stonden al die gasten van vijftien, zestien jaar in hun pyjama en nachtkleed op een rijtje in de gang te bibberen, omdat ze keet hadden geschopt. Van Laken zijn ze later naar Ganshoren getrokken, om uiteindelijk definitief op te schuiven naar het internaat bij het Eurovolleycenter.”

Kan je nog enkele generaties voor de geest halen?
“Absoluut. Fien Callens, Matthijs Verhanneman, Els Vandesteene en Tom van Walle waren instromers in 2003, in 2004 had je o.a. Bram Van den Dries, Simon Van de Voorde en in 2005 volgden Yana De Leeuw, Katrien Gielen, Lore Gillis, Hélène Rousseaux, Matthias Valkiers en Pieter Verhees. Uiteraard komen de huidige vedetten van onze nationale ploegen uit de Topsportschool.”

Naast de Topsportschool stond jij, samen met Emile Rousseaux en Karin Wallyn, ook aan de wieg van de Bewegingsschool voor kinderen tussen 3 en 10 jaar. Zie je die filosofie van brede motorische ontwikkeling vandaag nog voldoende terug?
“Dat blijft mijn absolute stokpaardje. Als kinderen sport willen doen, moet je hen eerst breed leren bewegen voordat je ze op een volleybalveld opsluit. Toen ik teksten van Emile Rousseaux las, dacht ik eerst: wat is dat voor een speciale vogel? (lacht) Maar ik heb hem naar Grimbergen gehaald. Emile keek een halfjaar naar onze jeugd en zei: ‘Swa, we moeten helemaal bij het begin beginnen. Die kinderen zijn motorisch onkundig.’ Zo is de Bewegingsschool ontstaan. Ivo Van Aken is zelfs in Grimbergen komen kijken hoe wij dat aanpakten. Vandaag zie ik dat de Topsportschool een geoliede topsportmachine is geworden. Waar het vroeger veel speelser was, heerst er nu vanaf dag één een echte topsportmentaliteit. Dat is een goede zaak voor het niveau, maar we mogen nooit vergeten dat de basis van álle bal- en loopsporten ligt in die brede, verfijnde motoriek op heel jonge leeftijd.”

Als je terugblikt op 30 jaar Topsportschool: voel je voldoende erkenning voor het pionierswerk dat jullie geleverd hebben?
“Daar ben ik eerlijk gezegd nooit mee bezig geweest. In 2016 heb ik een Lifetime Achievement Award gekregen van de federatie, dat deed uiteraard deugd. Maar mijn grootste beloning is de vriendschap die ik eraan overgehouden heb. Met de trainers, met de gastgezinnen van toen, met de spelers. En met de mensen die het nu overnemen. Kris Eyckmans, de huidige technisch directeur Topsport, heb ik destijds nog als journalist leren kennen. Er was meteen een geweldige klik. Kris gaf later training aan de Topsportschool en lag bij iedereen ongelooflijk goed in de markt. Toen Koen Hoeyberghs stopte bij Volley Vlaanderen, wist ik dat de opvolging in goede handen was. Kris is de juiste man op de juiste plaats. Als ik zie hoe de Topsportschool vandaag draait, ben ik een gelukkig man. Wij hebben destijds de stenen gelegd, zij hebben er een kathedraal van gemaakt.”


Tekst: Kenny Hennens
Foto: Grivok Grimbergen

Top